Menu
Stichting Erfgoed Ede
Verhalen
 
 


Peyton Place, ook voor Ede (dl. 1)


Kent u de buren van drie huizen verder? Weet u wie er allemaal aan de galerij van uw flat wonen? Tien tegen één dat u "nee' moet antwoorden. Triest, maar waar.

Nee, dan was het vroeger wel even anders. Vooral in een 'heidedorp' als Ede waar iedereen elkaar kende. Edenaar H.J. Nijenhuis ies iemand die zich regelmatig in het grijze verleden verdiept. En hij haalt zijn hart op als hij al die oude verhalen vertelt. Over families die iedereen kende, zo'n dertig jaar geleden. Over hun eigenaardigheden en over hun hobby's de heer Nienhuis weet er alles van. Als hij vertelt herleeft die oude, rustige tijd waarin ze nog niet dachten aan een tunnel onder het station Ede-Wageningen, omdat er toen bijna geen verkeer was. Alles ging rustig zijn gang, maar saai was het niet.

In het blad 'De Zandloper' van Oud Ede vertelt de heer Nijenhuis regelmatig iets over markante figuren van toen. Ik heb het geluk die prachtige verhalen te mogen doorvertellen. Ook voor 'Onder Ons' zal de heer Nijenhuis zijn verhalen ten beste geven. Vandaag het begin van een verhaal over de bewoners van de bekende boerderij aan de Driehoek, bezit van Oud Ede.

Het woord is aan de heer Nijenhuis, voor de eerste aflevering van onze eigen Edese 'Peyton Place".

Nu het museum in het oude station Ede-Centrum geopend wordt, raakt het vroegere onderkomen van Oud Ede, de oude boerderij aan de Driehoek, allengs in vergetelheid. Daarmee verdwijnen ook de herinneringen aan de laatste bewoners van dit boerderijtje, de vroeger zo bekende familie Hendriksen. Nog geen vijftig jaar geleden kende iedereen deze vriendelijke mensen, wier leven weliswaar niet zo opwindend verliep, maar anderzijds boeiend en typerend genoeg was om er nog eens aandacht aan te schenken.

Het is niet met zekerheid te zeggen hoe oud de Saksische boerderij precies is. Bij de tot stand koming van het gemeentelijke kadaster in 1831 wordt de woning al beschreven, maar ongetwijfeld is de eerste steen heel wat eerder gelegd. Vast staat overigens wel dat Klaas Hendriksen het boerderijtje in 1868 kocht van ene Hendrik Hendriksen, maar niet is bekend of zij familie van elkaar waren. Klaas was gehuwd met Geertje Koudijs. Zij kregen vijf kinderen: Woutertje, Egbert, Willem, Gijsbertje en Gerrit. Hij was in dienst bij baron Aldenburg Bentinck van Middachten (en Kernhem) en werkte in de bossen die de baron in Ede bezat. Hendriksen was gezien bij de bevolking, want vanwege zijn baan kon hij de mensen nog wel eens voor een zacht prijsje aan slieten en bonestaken helpen, gewilde artikelen in die tijd.

Toen hij ouder werd kon hij zijn werk niet meer zo goed verrichten. Pensioen was er in die dagen nog niet bij, maar om hem toch nog wat te laten verdienen, bezorgde de baron hem een merkwaardige bezigheid: miereneieren verzamelen. Een lang woord voor weinig werk, want dat liet Hendriksen de beestjes in feite zelf ultvoeren. Had hij in de bossen een mierenhoop ontdekt, dan legde hij daar vlak omheen een aantal lege koffiestroopbusjes met de opening naar het nest gekeerd. Vervolgens maakte hij met bladeren van het nest naar elk busje een soort paadje om daarna met een stok de mlerenhoop
uit elkaar te slaan. De dieren waren dan natuurlijk even kluts kwijt, holden als razenden door elkaar, maar herstelden zich al gauw om, met de ijver die deze diertjes nu eenmaal eigen is, te trachten hun eieren te redden. Zij sjouwden dan met hun vrachtje precies naar de plaats waar de slimme Hendriksen hen wilde hebben: over het zorgvuldig aangelegde bladweggetje naar de busjes. Daarin deponeerden ze het eitje en maakten rechtsomkeert om snel een nieuw exemplaar te halen. Zo liet hij ze rustig een uur of wat doorwerken. onderwijl in het bos zoekend naar een nieuw mierennest. Later nam Hendrlksen de gevulde blikjes mee naar huis, waar een medewerker van de baron ze op gezette tijden op kwam halen om ze te kunnen gebruiken voor diens fazantenfokkerij.

Maar terug naar het boerderijtje en de kinderen. Woutertje, kortweg Woutje genoemd, verhuurde zich al jong voor tachtig gulden per jaar bij een familie in Bennekom. Egbert trouwde in 1890, vestigde zich als tuinman en groentekweker en bogen een zaad- en plantenhandel aan de Bunschoterweg. Enkele jaren geledcn is dit fraaie huisje gesloopt, nadat nog lange jaren het bedrijf door de jongste zoon Bernard, inmiddels al ruim de zeventig gepasseerd, werd voortgezet. Giesbertje huwde eveneens, maar vertrok met haar man naar Nijmegen ( hetgeen in die tijd zo ongeveer gelijk stond met emigratie) en verdween daardoor uit de gezichtskring. In 1898 stierf moeder Hendriksen: Wourje moest thuiskomen om de huishouding op zich te nemen. Klaas Hendriksen heeft zijn vrouw nog een kwart eeuw overleefd. Zijn einde kwam in 1923, bijna 94 jaar oud. Drie kinderen bleven achter, zij zouden de laatste bewoners van het boerderijtje zijn.

Alles ging op de oude voet verder; vader had nooit van enige "nieuwigheid" willen weten, zij ook niet. Noch aan het huis. noch aan de inboedel werd dan ook iets veraderd. Bij iedereen hadden de gaslamp en het kolenfornuis hun intrede gedaan, maar niet bij hen. Zij hielden hun open vuur met ijzeren plaat en ketting, waaraan afwisselend een koperen ketel of een grote kookpot hing. Een kaarslantaarn zorgde op de deel voor verlichting en in de kamer gebruikten zij een snotneus. Het enige verschil bestond hierin dat Willem van zijn recht als oudste man gebruik maakte en nu de beste plaats bij het vuur innam terwijl Woutje zich de enige bedstee die de kamer rijk was, en die tot dan toe als ouderlijke rustplaats had gediend, toeëigende.

Tot zover de eerste aflevering van de geschiedenis van deze Edese Iamilie. Morgen leest u hoe de drie kinderen verder leefden: ieder had zijn eigen taak. Ze bleven alle drie vrijgezel en gedroegen zich als leden van een commune.

H.J. Nijenhuis/ Bob Jongbloed
Edesche Courant 22-01-1975


ID-nr: 76 - Bron: www.erfgoedede.nl
Aanvullingen / verbeteringen / opmerkingen?
Stuur een mailtje met vermelding van ID-nr: 76.