Menu
Stichting Erfgoed Ede
Verhalen
 
 


De Lord van Wijhe-straat


790321

De Lord van Wijhe-straat

Alleen oudere Edenaren zullen weten welk stukje straat met de Lord van Wijhestraat, een onofficiële naam, wordt bedoeld. Het betreft een klein deel van de huidige Molenstraat, vanaf de kruising met de Grotestraat tot de Not. Fischerstraat. De huizen zijn thans alle verdwenen, maar wij willen wat namen van hen die hier, pakweg de eerste vijfentwintig jaar van deze eeuw, hebben gewoond even uit de vergetelheid halen.
Om te beginnen met de linkerzijde , gaande richting markt. Daar bevond zich ruim halverwege, "Het goedkope verkoophuis" van R. Nestelroy. Deze verkocht hier alle mogelijke artikelen, zo ruim gesorteerd dat hij, tegen St-Nicolaastijd, folders huis aan huis liet bezorgen onder het motto: "Van A tot Z verkrijgbaar bij Nestelroy". Die lijst begon met asbakken en eindigde bij zakdoeken. Zelfs bij de moeilijke letters Q en X stond een acceptabel woord, al wist geen dorpeling wat het betekende. Bekend was hij ook door de verkoop van zijn petten, het hoofddeksel van die tijd. Zocht een klant een goedkoop exemplaar uit, dan trok hij bij het passen met een ruk de klep over diens ogen en beweerde: "Da's geen gezicht, kijk zelf maar; probeer deze eens". Dan nam hij een pet van de dubbele prijs, frommelde er een stuk papier in en wist meestal de klant van zijn gelijk te overtuigen.

In 1892 verhuisde "Het goedkope verkoophuis" naar een nieuwe gebouwd pand aan de hoek van de Torenstraat. Voor meerdere omzet stuurde hij zijn twee zoons, Johan en Hendrik, er met de hondenkar op uit om in de wijde omgeving zijn goederen aan de man te brengen. Van deze beide knapen is Hendrik een heel grote figuur in het Nederlandse zakenleven geworden. Helaas stierf broer Johan op jeugdige leeftijd. Kort nadat zij het nieuwe huis hadden betrokken. Hendrik voelde er weinig voor alleen met de hondenkar op stap te gaan. Hij begon op 4 september 1893, bijna achttienjaar uit een schuurtje aan de Brouwersstraat, een handel in papieren zakken, die hij zelf knipte, vouwde, plakte en aan de man bracht. Daar zat muziek in; enkele jaren later vertrok hij naar Amsterdam, Bloemgracht 61-69 waar het bedrijf een enorme vlucht nam. Onder de naam N.V. Papierindustrie Trompenburg is het uitgegroeid tot een groot concern. Hendrik-Jan Nestelroy bleef, ondanks zijn zakelijke beslommeringen, volop mee leven met zijn geboorteplaats. Hij was present bij de jaarlijkse tocht voor ouden van dagen, bezocht alle hoogtijdagen van de gymnastiekvereniging "Sparta", waarvan hij mede-oprichter was, een trouw bezoeker van de kersttentoonstellingen door Edese kunstenaars in de Reehorst, werkte mee aan het behoud van de Doesburgermolen, kortom er gebeurde weinig in Ede waar hij geen belangstelling voor toonde. Hij overleed 7 maart 1952 en werd, bijna vanzelfsprekend, in Ede begraven. Ruim een jaar later werd, met de uitgave van een fraai jubileumboek, heet zestigjarig bestaan van de zaak herdacht.

In 1912 werd "Het goedkope verkoophuis" overgenomen door de heer van Rooyen, die met een dochter van van Nestelroy sr. was getrouwd. De winkel ging in 1929 dicht; voortaan dreef van Rooyen, mede als vertegenwoordiger van zijn zwager te Amsterdam, uitsluitend een papierhandel, die door zijn zoon nog altijd wordt voortgezet.

Het oude huis van Nestelroy werd, evenals de aangrenzende timmerzaak van Harmsen van Vliet, aangekocht door H. van Wijhe. Deze was eveneens timmerman van beroep, maar begon tevens een zaak in galanterieën. Nadat de ouders waren overleden en twee kinderen het huis uitwaren, bleven de kinderen Jans en Gerrit van Wijhe daar wonen. De timmerwerkplaats werd bij het huis getrokken waardoor een grotere winkelruimte ontstond en de zaak met een afdeling kinderspeelgoed werd uitgebreid. Voortaan heette het "De goedkope winkel", welke naam later is omgedoopt tot " 't Ouwe Huus". Jarenlang hebben de twee, beiden bleven ongehuwd, deze bekende zaak gedreven.

Gerrit werd al gauw een populaire figuur in het dorp; iedereen noemde hem "Lord", een naam die hij van een paar jaar verblijf in Amsterdam had overgehouden. Naar hem werd in de volksmond al gauw dit stukje straat vernoemd, mede omdat hij als gangmaker bij alle mogelijke feesten optrad. Op Koninginnedagen en vooral tijdens de vooroorlogse Heideweken was hij de spil waar alles omdraaide. Hij zorgde er voor dat hij op zulke dagen deze straat één complete massa van hossende en feestvierende dorpelingen vormde. Onder leiding van Lord werden boerenbruiloften, gekostumeerde optochten, diverse wedstrijden en wat niet al georganiseerd. Bovendien was Lord een goed toneelspeler, in verschillende openluchtspelen van die tijd vervulde hij een hoofdrol. Samen met Joh. Plooy verzorgde hij de revue: "Dat maken we wel", opgevoerd in oktober 1936 ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van "Sparta". Avondenlang trok dit spektakelstuk volle zalen in de Reehorst en dat is sindsdien niet meer door Edese amateurs geëvenaard. Ook was Lord sociaal bewogen; een beroep op hem om in moeilijke omstandigheden te helpen, werd nooit tevergeefs gedaan. In de Tweede Wereldoorlog hebben verschillende gestrande Engelse parachutisten voor korte of langere tijd bij hem een veilige schuilplaats gevonden. Inderdaad, een figuur die vele Edenaren zich nog zullen herinneren en de moeite waard is er even bij stil te staan.

Natuurlijk woonden meer mensen aan deze zijde van de straat: op de hoek van de Grote-straat bakker Brinkman, in de wandeling altijd "Kees". Een klein winkeltje dat met drie klanten al vol stond en waar een heerlijke lucht van vers gebakken brood hing. Kees was geen man van veel woorden, maar dat maakte zijn vrouw Mientje wel goed. Sommige vrouwen maakten daar een gepast gebruik van, door een half pond koekjes te bestellen en tegelijk een babbeltje op te zetten. Mientje raakte dan op dreef, lette niet op de weegschaal, maar liet maar koekjes in de zak vallen, ook nadat de grens allang gepasseerd was. Verderop nog een paar bescheiden zaken: het garen- en bandwinkeltje van juffrouw De Ruiter, de schoenmakerij Schuring en de kuiperij van Kees van Leeuwen.

De andere kant van de straat begon met de smederij van Geels, de enige firma die zich niet alleen heeft weten te handhaven, maar door aankoop van belendende percelen tot een enorme zaak is uitgegroeid, waar nu een kleinzoon de vroeger zo bekende smid de scepter zwaait. Bij de smederij behoorde ook toen al en winkel die bijzondere aantrekkingskracht bezat. Geels beschikte namelijk als enig in Ede over een vergunning om wapens te verkopen. De etalage die hij daarvoor reserveerde, vol buksen, geweren en revolvers, trok altijd veel belangstelling.

Naast Geels woonde de handelaar in aardewerk, en manusje van, alles Herz. Deze bezat een speciale vitrine waar heet betere serviesgoed werd opgeborgen. Op een onbewaakt ogenblik zagen twee kwajongens kans een paar mussen, die zij van te voren in roet hadden gedoopt, in deze kast te stoppen. Angstig vlogen de diertjes in de beperkte ruimte rond, vernielden weliswaar niet veel, maar wel was de winkelier genoodzaakt al het mooie porselein een glansbeurt te geven.

Vervolgens kwam P. van Voorthuizen, bakker annex sigarenwinkelier. De oven werd hier nog met takkenbossen gestookt, waarvan altijd een behoorlijke stapel op de binnenplaats stond. Elke morgen, in alle vroegte, werd die oven schoongemaakt; het afval verdween in een grote ketel, de zgn. "doofpot". Eenmaal per maand kwam Wassinkmaat, de petroleumhandelaar, die ketel leeghalen. Hij zeefde het spul, waarna het resterende goede gedeelte werd verkocht als houtskool. Later werd de bakkerij overgenomen door A. de Ronde en werd Van Voorthuizen administrateur bij het ziekenfonds "Helpt Elkaar". (toevoeging: de bakkerij is na de oorlog een tijdlang gebruikt door bakker Jan van Snippenberg, later kwam Leentje de Ronde er met haar manufacturenzaak "De Oude Wolbaal). De sigarenzaak bleef gehandhaafd. Na het overlijden van v. Voorthuizen in 1939 heeft zijn vrouw de winkel gedreven tot 1947. Dit pand, met als laatste eigenaresse de weduwe Van de Brink, is pas onlangs gesloopt.

Naast van Voorthuizen de weduwe van Dalen, die een drogisterij dreef. Zij maakte zelf boenwas, waarbij eens tijdens het koken de vlam in de pan sloeg. De kordate vrouw greep de pan en smeet die pardoes door het keukenraam, zodat de schade tot een gebroken ruit en een paar brandwonden beperkt bleef. Later nam de schilder G. de Jager de zaak over, en laat hem hetzelfde overkomen. Hij dacht de zaak te kunnen blussen met het gevolg dat de hele keuken uitbrandde.

Tot besluit nog even het bekende manufacturenbedrijf "De Faam" van de heer Th. de Jong. Deze opende zijn winkel op 14 februari 1907 in het Maanderpark, maar verhuisde nog hetzelfde jaar naar de Grotestraat, thans hoek Molenstraat-Notaris Fischerstraat. De heer de Jong was een joviale man, altijd vol grappen, bewoog zich veel in het openbare leven, maar ondanks zijn eerste kwaliteit goederen is het nooit de zaak geworden die hij zich had voorgesteld. Wellicht was hij geen uitgesproken zakenman maar meer een gevoelsmens, waarvan een klein staaltje: in de maand maart 1911 werden Friese schippers door zware stormen overvallen en leden enorme verliezen. Van enige tegemoetkoming van overheidswege was nog geen sprake. Daarom trachtten landelijke comités bijstand te verlenen. De heer de Jong droeg daar het zijne aan bij door op bepaalde dagen, vooraf per advertentie bekend gemaakt, 20 % van zijn dagomzet aan de in nood verkerende vissers af te staan. Zoiets tekent een mens.

Dat waren wat vroegere bewoners van de zogenaamde Lord van Wijhe-straat. (Toevoeging: er heeft ook een leesbibliotheek in een van de panden gezeten. En in het pand van "De Faam" zat eerst een hotel))
De ene zijde van het stukje straat is verdwenen, er loopt nu een brede verkeersweg, terwijl aan de andere kant inmiddels alle huizen zijn vervangen door nieuwbouw.


ID-nr: 86 - Bron: www.erfgoedede.nl
Aanvullingen / verbeteringen / opmerkingen?
Stuur een mailtje met vermelding van ID-nr: 86.